Cookie beleid ASC

De website van ASC is in technisch beheer van VoetbalAssist en gebruikt cookies. Hieronder de cookies waar we je toestemming voor nodig hebben. Lees ons cookiebeleid voor meer informatie.

Functionele cookies

Voor een goede werking van de website worden deze cookies altijd geplaatst.

Analytische cookies

Google analytics Toestaan Niet toestaan

Marketing cookies

Facebook Toestaan Niet toestaan

Gelukkig hebben we de bandjes nog

Gelukkig hebben we de bandjes nog

15 mei 2024 12:00


Sinds de oprichting van A.S.C. in 1892 is een bonte stoet aan oefenmeesters c.q. trainers aan Rood-Zwart voorbijgetrokken. Sommigen bleven wat langer, anderen waren na één seizoen alweer vertrokken.
In de oertijd van de voetballerij was er van trainen überhaupt nog geen sprake, laat staan dat er een (betaalde) kracht was die jou met gezag en kennis van zaken iets op voetbalgebied probeerde bij te brengen. Voetballen doe je immers voor je lol en om je dan ook nog eens te laten afbeulen op een training……, nou nee, dankjewel.

De eerste betaalde trainer in de geschiedenis van A.S.C. is Tommy Rice, die van 1920 tot en met 1928 onder meer de trainingsscepter zwaait over de selectie en die A.S.C. 1 naar de eerste klasse loodst.
In later jaren zijn het met name Ton Kantebeen (9 seizoenen in de 60-er en 70-er jaren), John Verschoor (8 seizoenen van 2005 tot en met 2012) en Eef Binsbergen (7 seizoenen in de 50-er jaren) die het relatief lang bij A.S.C. hebben uitgehouden. Oefenmeesters die hun verblijf bij Rood-Zwart bovendien met een kampioenschap weten te bekronen!
Maar er zijn natuurlijk ook de zogenaamde ééndagsvliegen geweest, om het maar eens oneerbiedig uit te drukken. Mannen die met de beste bedoelingen naar De Kempenaerstraat trekken, maar al na één seizoen hun trainingsbiezen weer kunnen pakken.

Eén van deze ééndagsvliegen is Jan Kentie, een 29-jarige Delftenaar en lid van de plaatselijke Concordia, die boordevol ambitie en een hoofd gevuld met kennis van de modernste voetbaltrainingsinzichten in 1969 zijn opwachting maakt aan De Kempenaerstraat.
Kentie moet, vanwege z’n eigen typische stijl van trainen, gebaseerd op de modernste spelsystemen en spelvormen, afrekenen met de gebruikelijke ‘door-de-jaren-heen’ trainingsaanpak die de A.S.C.-selectie gewend is van Ton Kantebeen. En niet te vergeten met de eigenwijzigheid van een aantal selectiespelers. Zo heeft bijvoorbeeld nog niemand van de selectie gehoord van een warming-up schema vóór de wedstrijd.
Tijdens de wedstrijden gebruikt Kentie niet het bekende opschrijfboekje om bijzonderheden vast te leggen, maar hij spreekt deze in op een cassetterecorder, die hij altijd bij zich draagt.
Kentie zoekt het bij de training vooral in combinatievormen, die volgens hem de basis van voetbal vormen: vrijlopen, zelf actief zijn, ook (en vooral) zonder bal. Met andere woorden: denkend leren voetballen en een wedstrijd leren ‘lezen’! Zaken die niet meer zijn weg te denken uit de moderne voetballerij.
En daar sta je dan met je trainingsaanpak als 29-jarig ‘broekie’, tegenover een doorgewinterde selectie a.k.a ‘het moeilijke A.S.C.’ die al jaren anders gewend is. De moderne inzichten van Kentie stuiten dan ook op de nodige weerstand en onbegrip. En als ze, bij wijze van kleedkamerhumor, zelfs je cassettebandjes met wedstrijdanalyses gaan verstoppen, dan heb je een dik autoriteitsprobleem als trainer.

Wat betreft de resultaten, zijn de verwachtingen voor aanvang van het seizoen hooggespannen. A.S.C. moet nu maar eens een keertje kampioen worden om eindelijk uit die vierde klasse te komen. Maar half februari 1970 is door een teleurstellend gelijkspel tegen H.M.S.H. de laatste reële kans op het felbegeerde kampioenschap verkeken. Het zit A.S.C. ook niet echt mee: onfortuinlijke tegengoals, terwijl Rood-Zwart op dat moment juist beter is. Technisch gezien heeft A.S.C. nu eenmaal méér in de mars dan menig tegenstander, maar in de vierde klasse wordt beduidend forser gespeeld (‘boeren’ en ‘Haagse onderonsjes’ zou Piet Blonk zeggen) en bovendien moet er vaak op zware velden worden gespeeld. “Aan de conditie heeft het in elk geval niet gelegen en door gebrek aan lucht is geen enkele wedstrijd verloren”, aldus Kentie.
Wat betreft de tactische kant, is het spelen in een 4-3-3 opstelling niet altijd even succesvol gebleken. Want om een spelsysteem goed te kunnen uitvoeren, moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Zo is teamverband een belangrijke randvoorwaarde voor succes. Gedurende het seizoen moeten maar liefst zes nieuwe spelers worden ingepast. Weliswaar betere technische spelers, maar dit gaat wel ten koste van de samenwerking, het onderlinge contact, het begrijpen en kennen van elkaar en niet in de laatste plaats het opvangen van elkaars fouten. “Maar ook het contact tussen trainer en spelers is niet optimaal geweest”, geeft Kentie ruiterlijk toe, “bij A.S.C. is het enorm moeilijk om de spelers te overtuigen”, vervolgt hij, “om ze het inzicht te geven dat het echt nuttig is wat ze op de training krijgen voorgeschoteldZeker bij een vereniging als A.S.C. hebben de spelers behoefte aan inspraak. Maar daarnaast moeten zij ook kunnen accepteren. Ze moeten zich loyaal op nieuwe zaken instellen. En daar heeft het volgens mij dikwijls aan ontbroken. Ik heb bijzonder weinig opofferingsgezindheid ervaren, het egoïsme voerde niet zelden de boventoon. En is het nu zo verschrikkelijk veel moeite om je op een ander in te stellen? Om bereid te zijn de fouten van een ander op te vangen? Ik ben er heilig van overtuigd dat A.S.C. veel verder zou zijn geweest als de spelers tenminste wat meer van een trainer zouden willen accepteren”, zo vervolgt Kentie zijn kritische analyse na een (tropen)jaartje A.S.C.

Het mag duidelijk zijn dat Jan Kentie en A.S.C. geen goede match zijn. Als trainer wil je op basis van de modernste trainingsinzichten en -technieken het hoogst mogelijke bereiken en als je dan eisen gaat stellen en als tegenreactie krijgt: “nou trainer, als het zo moet, dan stop ik”, of “laat mij maar lekker bij m’n vrienden in het vijfde ballen”, dan zit je duidelijk op totaal verschillende golflengten.
Jan Kentie tot besluit: “als je sport beoefent, doe je dat om een bepaalde prestatie te bereiken. Anders is het gewoon spel en dan kun je beter lid worden van een gezelligheidsvereniging”.

In 1970 neemt Ton Kantebeen het stokje over van Kentie en in 1972 wordt A.S.C., met de gebruikelijke ‘door-de-jaren-heen’ trainingsaanpak en hoogstwaarschijnlijk nog zonder warming-up schema, glorieus kampioen van de vierde klasse, waardoor het promoveert naar de derde klasse. Het kan verkeren!

bandje.jpg

 

Delen

voeg je eigen gadgets toe aan deze pagina!